Luc-Peter Crombé

Opwijk, 14 januari 1920 – Sint-Martens-Latem, 17 mei 2005.

Zijn artistieke opleiding begon in de academie Sint-Lucas te Gent bij G. Hermans en Jos Verdegem, waarna hij de klas van Constant Permeke volgde in het Nationaal Hoger Instituut voor Schone Kunsten te Antwerpen. Daarna volgde hij als privéleerling vijf jaar les op atelier bij de Gentse meester Jos Verdegem. Na deze gedreven opleiding volgde hij een bijzondere scholing in het Ecole du Louvre (oudheidkunde en restauratie), waarna hij deze scholing in de praktijk zette onder meer in het atelier Van de Velde (Gent) en in het Louvre bij Prof. Serulaz (Parijs).

Behaalde prijzen :

  • Prijs voor levend model, 1947, Antwerpen
  • Provinciale prijs , 1954, Oost-Vlaanderen
  • Prijs voor grafiek, 1955, Frankfurt
  • Benevenutoprijs, 1956, Milaan
  • Sagrada familiaprijs voor religieuze kunst, 1957, Barcelona
  • Grootste onderscheiding op “World’s fair”, 1964 New York
  • Prijs van New-York city, 1964 New York
  • Ereprijs Detroit, 1965

De vroegste werken van Luc-Peter Crombé zijn eerder intimistisch en decoratief gericht. Vanaf de jaren ’50 laten de invloeden van het zuiden zich gelden, begin van de temperatechniek en vooral op het gebied van kleur- en lichtspel. De figuur krijgt ook zijn plaats als hoofdmotief (kinderwereld, portretten en figuranten), pastel- en houtskooltekeningen. Eind de jaren ’50 ging hij naar Corsica. De geschiedenis van het Franse eiland was hem niet vreemd. Zijn aandacht ging vooral naar het ontstaan en de erosie van de rotsen. Zo ontstonden de Corsica-werken. Het natuurelement wordt in soepele schilderkundige waarden breed en groots geborsteld op de voorgrond. Zo heeft Luc-Peter Crombé leren abstraheren. Deze periode die loopt tot circa 1965 is dan ook zijn eerste periode met zijn Corsica-suite, Italië,Marokko en Spaanse suite.

De religieuze kunst van Luc-Peter Crombé eind de jaren ’50 en begin de jaren ’60 heeft een hoogtepunt wanneer hij zijn beroemde kruisweg schilderde. Deze kruisweg hangt in de kerk van Scherpenheuvel, De Mariahal.

Aan het eind van de jaren ’60 en begin ’70 heeft Luc-Peter Crombé twee werkateliers, Naast het atelier van Sint-Martens-Latem werd eveneens een atelier in Maaseik gevestigd. De soepele penseeltrek domineert vanaf dat moment. Hij schildert in deze periode voornamelijk pastel- en houtskooltekeningen.

De Latemse periode kenmerkt zich door de opeenvolgende suites :

  • ‘Ode aan het leven’ waar de bewegingslijn een belangrijke rol speelt. De dansbeweging en het theaterleven zijn zeer belangrijke en gewillige onderwerpen.
  • De ‘Lutander’-suite : 2000 jaar geschiedenis, hier doet de kunstenaar u nadenken over zeer actuele thema’s. De mens en zijn beest en zijn god; zijn engel en zijn duivel, zijn egoïsme en zijn behoeftigheid, zijn zucht naar steeds vernieuwingen en de zelfbevestiging, zijn leven door vernietiging en zijn vernietiging door vermenigvuldiging.
  • ‘Petruliër’-suite of de individuele bewustwording na de verlichting: een reeks schilderijen die thema’s uit de oudheid vertalen in een visie waaraan de verlichting niet vreemd is en waarbij de opvattingen van de laatste twee eeuwen afstandelijk gesitueerd worden in hun nasleep van onze ethische manier van zijn. De relatie man-vrouw wordt voorgesteld als een wankelende verhouding en wordt vergeleken met de opvattingen van vorige eeuwen.
  • ‘Decorith’-suite is een aanklacht in de machtsstrijd van de emancipatiebeweging, die verweven loopt door de suite.
  • ‘Licrobert-Hil-Climi’-suite, hier wordt een vergelijking gemaakt met de mens na de verlichting en de mens van de ommuurde wereld uit de oudheid.

De Fresco was naast de temperatechniek zijn geliefkoosde techniek. Zeer veel onderwerpen als de kantwerksters, de landschappen, de dieren en intimistische onderwerpen werden in deze techniek uitgevoerd.

In zijn laatste periode gaat Luc-Peter Crombé de tekeningen die op het atelier achtergebleven zijn, doorwerken met zeer verrassende resultaten. De achtergronden worden veelal herleid tot een spel van vlakken. Door het schril contrast van figuratie en achtergrond krijgen de werken een gevoeliger accent. Kleurcontrasten schijnen harmonisch te verbroederen met een gezamenlijk coloriet.